De dirigent van het toeval

Voor C.

We kennen allemaal wel mensen waarvan we vinden dat zij elkaar zouden moeten ontmoeten. Vrienden die we onafhankelijk van elkaar kennen, maar die het zeker en vast goed zouden vinden met elkaar. Wanneer zo een ontmoeting door onfortuinlijke omstandigheden nooit plaats kan vinden, gaat dat vaak ook gepaard met rouw. Deze verhalen horen we soms op de divan: het verdriet omdat een kind of partner een overleden familielid nooit zal leren kennen – terwijl ze waarschijnlijk beste vrienden waren geweest hadden ze elkaar wel ontmoet.

Van waar het belang dat we hechten aan zulke ontmoetingen? Claude Lévi-Strauss stelt dat verticale verwantschappen (tussen ouder en kind bijvoorbeeld) per definitie gedetermineerd zijn door de Natuur. Iedereen heeft twee ouders en draagt iets van die ouders in zich (50 % van het genetisch materiaal). Ook als we onze vader nooit hebben gekend, blijft het mogelijk dat we zijn temperament in ons dragen. Zels al heeft onze moeder ons verlaten, we kunnen haar rode haar of groene ogen hebben overgeërfd. Horizontale verwantschappen (tussen twee partners bijvoorbeeld) zijn daarentegen quasi volledig aan het toeval overgeleverd. Behalve bij de mens, dat Symbolisch wezen dat zijn verhoudingen en ontmoetingen ingeschreven ziet in een ketting van verhalen en dus geschiedenis. Deze geschiedenis introduceert een nieuwe vorm van determinering, met name de Symbolische. Dit observeerde Lévi-Strauss bij primitieve stammen, waar regels op dwingende wijze van toepassing zijn op dit soort ontmoetingen. Maar ook bij ons, de zogenaamde moderne mens, zien we dat deze ontmoetingen niet overgeleverd zijn aan het toeval: er zit een rode draad in onze keuze van partners en die keuze kan teruggebracht worden tot onze geschiedenis. Het Oedipuscomplex, zo heette het bij Freud. Of het fantasme. Deze keuzes zijn nooit volledig contingent. Iets in de ontmoeting tussen twee mensen wordt bepaald door een Symbolische ketting, die ons (deels) vooraf is gegaan, waardoor er een element van determinering en herhaling sluipt in verhoudingen die anders louter aan toeval zouden zijn overgeleverd.

Misschien hechten wij wel zo veel belang aan de ontmoeting tussen twee dierbaren omdat wij zelf het resultaat zijn van zo een niet-toevallige ontmoeting. Omdat wij hopen dat wij, als schijnbaar toevallig gevolg van een ontmoeting die evengoed niet had kunnen plaatsvinden, op die manier grip kunnen krijgen op de noodlottigheid die schuilt in de menselijke liefde. Wij weten dat die en die iets aan mekaar te vertellen hebben, dat daar meer zal gebeuren dan een vluchtige handdruk. Op zo een moment wanen wij onszelf de dirigent van de symfonie die de contingenties van menselijke verhoudingen orchestreert. Maar wanneer zo een ontmoeting, net omwille van het noodlot, niet kan plaatsvinden – dan is er geen muziek. Dan ontsnapt aan ons een schittering van de Symbolische schakel die had kunnen zijn. En die schakel, dat zijn we uiteindelijk zelf.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De analyticus en de dood

Eerst een gedicht:

De tuinman en de dood (door P.N. Van Eyck)

SibylCumae

De Sibylle van Cumis

Een Perzisch Edelman:
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.
“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”
Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”

Wat gebeurt er wanneer de analysant een levende analyticus ontmoet, daar waar hij een dode had verwacht? Ofschoon deze vraag op het eerste zicht vreemd mag lijken, leert de praktijk ons dat de verwachting niet zo ongewoon is – en ze wordt meestal ingewilligd. De therapeut ziet de dreigende hand van de Dood bij zijn analysant en vlucht zonder omkijken naar Ispahaan om aldaar zijn noodlot te ontmoeten. Dit gebeurt onder de vorm van een nagenoeg permanent stilzwijgen, wat maar al te vaak verward wordt met de abstinentie, of een standaardkuur, die veelal een vertegenwoordiging is van het rituele aspect waar wij de Dood mee omzwachtelen. De analysant komt dan spreken, soms jaren aan een stuk, tegen iemand die hij tijdens de eerste sessies reeds voor dood heeft verklaard. Intussen verandert er evenwel niets. De therapie beweegt niet, de levensdrift blijft afwezig en het geheel krijgt een steriel, kil kantje. Op de koop toe is dit voor sommige therapeuten een zeer comfortabele positie, die van de dode. Het leven houdt immers een risico in, de dood al lang niet meer. Spreken, tussenkomen, de eigen levensdrift op het spel zetten om de analysant uit zijn fascinatie voor de eeuwige rust te halen vereist quasi altijd een offer.

Wat Lacan benoemt als het lege spreken – het spreken dat niets releveert, maar louter communiceert – verglijdt soms naar dit spreken-voor-de-dood. Zelf stelt hij dat de analyticus paradoxaal genoeg slechts kan tussenkomen tijdens het volle spreken, op dat moment wanneer het spreken van de analysant hem het meest intiem is. In het aanschijns van de leegte van het lege spreken zal hij alsnog proberen tussenkomen door, bij voorbeeld, de houding van de analysant te interpreteren. Volgens Lacan zouden we hierdoor de analysant binnenvoeren in de orde van het Imaginaire en hem onderwerpen aan de zoveelste vervreemding. Maar wat dus als dit lege spreken niet louter in dienst staat van de weerstand, maar van de Dood? Moet de analyticus dan nog zwijgen? Kan spreken op zo een moment niet eerder een introductie zijn van het leven, die pijnlijke, lastige maar ook vrolijke omweg naar de dood waar onze ethiek op is gericht – of toch zou moeten zijn?

Ik haal hier graag het verhaal aan van de sybille van Cumis, die in ruil voor haar maagdelijkheid van Apollo evenveel jaren kreeg als zij zandkorrels in haar hand kon houden. Omdat zij zich echter niet hield aan haar eind van de afspraak, werd zij gestraft. De eeuwige jeugd werd haar immers niet beloofd, en over de eeuwen heen verschrompelde zij tot ze enkel een stem was die in een bokaal in de stad werd werd bewaard. Wanneer men haar nu vroeg wat zij wenste, antwoordde zij steevast hetzelfde: “Ik wil sterfelijk zijn.” Vergis u niet. Ik wil hier geen pleidooi houden voor die therapieën die zweverig het leven als wierook laten binnensluipen in het vertoog van hun patiënten onder het motto “je veux le bien des autres à l’image du mien.” Ik doel hier op behandelingen die met de leuze “Durf voor jezelf leven!” een imperatief van het genot opleggen. Genot dat, zoals wij sinds Freud weten, even gauw kan omslaan naar het register van de Dood. Eerder is de analyticus iemand die zijn eigen sterfelijkheid omarmt – al is het maar opat de analyse niet zou verglijden in een behandeling zonder einde waar de dood haar zegje doet tot in de eeuwigheid.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zoem

mosquito1Gisterenavond zat er een mug op mijn kamer. Deze vermoedelijk laatste telg van een uitgestorven, krachtige dynastie van muggen was niet van de minste. Zij had winterkou en sneeuw getrotseerd, zich een weg doorheen de spleten en kieren van mijn woonst gevochten om uiteindelijk zachtjes haar zwanenzang urenlang in mijn oor te komen fluisteren. Woest om mijn oren wuivend trachtte ik deze vervelende indringer op andere gedachten te brengen, maar de mug was vastberaden: haar laatste aria zou zij aan mij opdragen. Dit wordt een slapeloze nacht, zo dacht ik bij mezelf.

Het zoemen van een mug maakt het natuurlijk lastig piekeren in het klamme duister. Amper hield ik vast aan een of andere kopzorg, of daar kwam dat snijdend, piepend gejengel mijn gehoorgang binnen walsen. “Waarom zit ik toch steeds vast in,” ZOEM! “Waarom maak ik toch steeds dezelfde,” ZZZZZZZZOEM! “Waarom heb ik toen niet,” ZZZZZZZZZZZOEM!! “Had ik toen niet beter gezegd dat,” ZZZZZZZZZZZOOOEEEEM!!!  “Steek dan toch!” beet ik haar sissend toe. Maar steken heeft ze, denk ik, nooit gedaan. Was dat wel het geval, dan heb ik er alleszins niets van gemerkt. Geen jeuk de dag nadien. Geen jeuk, geen dromen, geen gedachten – enkel zoem zoem zoem.

Zo gaat dat ook met de analyticus, die vervelende mug die maar niet ophoudt met zzzoemen. Elk woord, elke kuch, elke zucht, elke nerveuze beweging, het kruisen en ontkruisen van de benen, het verleggen van de armen, het knipperen van de ogen en het rollen van de traan – wie op de divan ligt, hoort vroeg of laat het onophoudelijke gezoem van de analyticus. Soms hoort men enkel en alleen nog dat zoemen. “Je me réalise soudainement de votre présence,” zeggen we dan met Lacan. Soms is het zoemen slechts begeleidende muziek voor de dans van de vrije associatie. Soms vragen we ons af of er nog gezoemd wordt, soms of we het ons simpelweg inbeelden. En soms, heel soms steekt de analyticus. Dat kan met een woord, een sarcasme, een lichte schop. De beet van een analyticus kan hardnekkig beginnen jeuken en ons aanzetten tot hevig krabben. De scherpe pen van Patricia de Martelaere steekt fijner dan een mug wanneer zij ons een analyse van het jeuken en het krabben geeft: “Krabben doet immers ook jeuken, waarna opnieuw, en harder, moet worden gekrabd, het jeuken opnieuw toeneemt, het krabben almaar razender wordt, het jeuken almaar indringender – tot krabben en jeuk volledig zijn verenigd in een waanzinnige wedloop tussen kwelling en genot.” Inderdaad, soms, wanneer wij er hard aan beginnen krabben, confronteert de beet van de analyticus ons met onze dubbelzinnige verhouding ten aanzien van het genot.

“Waarom maak ik toch steeds dezelfde,” STEEK.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

INTERcartelDAG – 22.06 – Over Verlangen en Genot

Naar goeie gewoonte organiseert het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie haar jaarlijkse INTERcartelDAG, die deze keer in het teken staat van Verlangen en Genot.

Over Verlangen en Genot

Over Verlangen en Genot

Wie een dag met zo’n titel niet mis wil lopen stuurt best zo snel mogelijk een mailtje naar Dennis Vermeersch.

De INTERcartelDAG zal plaatsvinden op zaterdag 22 juni, vat aan om 9u en vindt plaats in Villa Voortman, Vogelenzang 23 te Gent. Wij hopen u daar uiteraard en masse te mogen verwelkomen!

Een vast programma is nog in de maak en zal alhier verschijn van zodra dat beschikbaar is…

Geplaatst in Actueel, Gezelschap | Een reactie plaatsen

Parleying with certain people…

Flesh composed of suns. How can such be?
Exclaim the simple ones

R. Browning (1812-1889)

R. Browning (1812-1889)

Dit in eerste instantie nogal mysterieuze citaat leidt de introductie van Fonction et champ de la parole et du langage en psychanalyse in. We zijn enigszins bevreemd. In eerste instantie door het woord parleying, wat ons wel bekend in de oren klink, maar dan niet als een Engels woord. Het doet eerder denken aan het Franse parler, waardoor we vermoeden dat het wel iets met spreken te maken zal hebben.  Oxford Dictionary bevestigt deze intuïtie wanneer het parleying definieert als: “to hold a conference with the opposing side to discuss terms”. Maar met wie dan? Verder opzoekingswerk leert ons dat de titel van het boek waaruit dit citaat komt onvolledig wordt weergegeven. De volledig titel luidt Parleying with certain people of importance in their day. In dit boek gaat auteur Robert Browning een dialoog aan over hedendaagse onderwerpen met een aantal obscure auteurs waarvan hij de werken heeft gelezen in zijn jeugd.

orion

Dit specifieke citaat komt uit de dialoog met Bernard De Mandeville, waar men parleyt over de sterrenkunde en meerbepaald over het sterrenbeeld Orion. Hoe kan het toch zijn, zo vragen de simpelen, dat een man opgebouwd is uit sterren? Waarop De Mandeville antwoordt: “Look through the sign to the thing signified.”
Hier kunnen we al een eind mee voort. Dit laatste alludeert waarschijnlijk op de splitsing betekenaar/betekende, waar de simpelen de verhouding (of de disjunctie) niet van begrijpen. Hoe kan een mens nu opgebouwd zijn uit sterren? Maar dat deel van het citaat interesseert ons minder. Wat ons meer interesseert is de titel, wat Lacan er van heeft weggelaten en waar dat dan wel naar moge verwijzen. In de introductie kondigt hij immers zijn retour à Freud aan. Samenzitten met de ander, eigenlijk met de tegenpartij, om over de termen te onderhandelen. Ook Lacan gaat een dialoog aan met een overleden auteur, met Freud. Maar hoe ga je in godsnaam een dialoog aan met het geschreven woord? Ook als dat geschreven woord alle karakteristieken vertoont van het gesproken woord (bestemdheid, onbepaaldheid, de inclusie van het antwoord, de vooronderstelling van een gesprekspartner – allemaal karakteristieken die het werk van Freud en Lacan eigen zijn), kan jij als lezer dan spreken van een dialoog? Of gaan we een dialoog met onszelf aan? Met wat we in deze werken menen te lezen, wat we niet begrijpen en wat we onderweg vinden in onze verwoede poging het te begrijpen? De lectuur van een goed boek kan ons namelijk evenzeer transformeren als een gesproken woord – ook al begrijpen we misschien niet onmiddellijk waarom dat het geval is. Iets spreekt tot ons en er verschuift iets in de manier waarop wij de zaken lezen. Het volgende werk dat wij nu ter hand nemen zal gelezen worden doorheen de condens van alle voorgaande werken waarmee onze bril nu is beslagen.
Maar de lectuur van Freud door Lacan gaat nog een stap verder, want Lacan benoemt zijn lectuur als een retour à Freud. En deze retour komt niet op een willekeurig moment. Ze komt er op het moment dat hij wordt verworpen door het psychoanalytische establishment. Wat Lacan onderneemt tijdens zijn retour neemt in onze lezing de vorm aan van een ondervraging door Lacan van zijn eigen overdracht ten aanzien van Freud. De freudiaanse psychoanalyse kan niet los gedacht worden van het verlangen van Freud, net zomin als de lacaniaanse psychoanalyse los kan gedacht worden van het verlangen van Lacan. Lacan zal dit verlangen van Freud ondervragen en door dit te doen ondervraagt hij meteen ook zijn eigen overdracht ten aanzien van Freud. Is het voor een adept van de psychoanalyse mogelijk het verlangen van Lacan te ondervragen? En wat dan met de eigen overdracht ten aanzien van Lacan? Waar we alras geneigd zijn te vervallen in een hysterische idolatrie en/of verwerping, zou ik eerder pleiten voor een ondervragen van het verlangen van Lacan dat verschijnt in zowel zijn geschriften als zijn seminaries. Want men moet het verlangen van de Ander een plaats kunnen geven wil men ermee in dialoog treden.

Geplaatst in Fonction et Champ, Freud, Lacan | Een reactie plaatsen

Studiedag Preliminaire Gesprekken 16 maart 2013

Op zaterdag 16 maart 2013 organiseert het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie een studiedag met als thema “de Preliminaire Gesprekken”. Uitgenodigde sprekers zijn Daniel Bonetti, Eva-Marie Golder, Lucía Ibáñez Márquez, Leo Ruelens, Radjou Soundaramourty, Joseph-Lê Ta Van en Evi Verbeke. De studiedag zal plaatsvinden in het Liberaal Archief, Kramersplein 23, 9000 Gent. Inkom bedraagt € 30 (€ 10 voor studenten), middagmaal mogelijk mits reservatie voor 3 maart. Voor meer info: website GPP

CarontediMichelagelo

De patiënt zet een eerste wankele voet – soms aarzelend, soms haastig – in de boot, zijn symptoom als obool op zijn tong. De veerman knikt en stelt vast hoe zijn passagier zich verbeten vastklampt aan de kade wanneer hem gevraagd wordt niet zijn obool, maar zijn angst te geven. Hoe maken zij de oversteek naar de duisternis waar men niet omkijkt, met een blind vertrouwen in wat gedoemd is te mislukken? Met deze vraag stappen wij aan boord. We vertrokken van een tekst. Acht sprekers zullen hierop hun commentaar leveren. Vier discutanten zullen elk met twee sprekers in dialoog gaan. De diversiteit en refractie van het vertoog weerspiegelen het verloop van de preliminaire gesprekken, waar de mogelijkheid bestaat voor een ontmoeting tussen patiënt en analyticus. Een ontmoeting die, bij het overschrijden van de drempel, voorbij de aanvankelijke klacht de mogelijkheid tot een ander spreken schept.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Edgar Allan Poe en Lacan: een inleiding

edgar-allan-poeIn 1954 zal Jacques Lacan tijdens zijn seminarie over het Ik in de theorie en in de techniek van Freud meermaals beroep doen op het werk van Edgar Allan Poe. Hij is daarmee niet de eerste psychoanalyticus die interesse vertoont voor het werk van Poe, en zeker ook niet de laatste. De manier waarop hij gebruik maakt van Poe’s werk wekt onze interesse. Lacan gebruikt namelijk één specifiek verhaal van Poe om een illustratie te geven van de werking van de betekenaar. Tijdens het komende werkjaar zullen wij  stilstaan bij Lacan’s lezing van Edgar A. Poe. We zullen ook aandacht hebben voor de reacties die zijn lezing hebben veroorzaakt en ons toeleggen op een nadere studie van de auteur zelf. Want wie was Poe en waarom spreekt zijn werk zo tot onze verbeelding? Waarom heeft Freud het zelf nooit over Poe gehad? Waar kan een verdere studie van Poe’s werk ons leiden?

In eerste instantie wil ik hier een vrij nauwkeurige lezing brengen van de tekst “Le séminaire sur la Lettre Volée” zoals die in de Écrits verschijnt. Daarbij beoog ik niet zozeer een opgelegde interpretatie van de tekst, maar eerder een uitpluizen van de referenties die Lacan ons aanreikt. Deze zouden de lezer verder op weg moeten helpen om zelf tot een eigen lezing van de tekst te komen, zonder zich te verliezen in de oneindige massa informatie waar deze tekst ons in verdrinkt. Hierbij is het uiteraard handig zowel de tekst van LAcan als het verhaal van Poe bij de hand te hebben, opdat de lezer zou weten waar Lacan precies een bepaalde referentie aanhaalt. Om het lezen te vergemakkelijken zullen wij telkens de relevante passage citeren en de paginering van de Écrits hanteren.

Dit wordt een jaar in het teken van Edgar Allan Poe. Laat ons, bij wijze van een eerste blik op wat ons te wachten staat, eens kijken naar twee citaten: het citaat waar Lacan Le Séminaire sur La Lettre Volée mee begint en het citaat waar Poe zijn verhaal The Purloined Letter mee begint…

Und wenn es uns glückt,
Und wenn es sich schickt,
So sind es Gedanken.
[Inleidend citaat voor Le séminaire sur “La Lettre Volée”]

Dit citaat komt uit Goethe’s Faust, meer specifiek uit het deel waar Faust en Mephistopheles de heks bezoeken. In haar keuken dansen enkele dieren rond de heksenketel en spreken beide heerschappen aan met onzinnig gezwets. Goethe-specialisten zijn het onderling eens dat de dialoog van de dieren nonsens is en laten het bijgevolg ongeïnterpreteerd links liggen. In dit opzicht verwondert het mij dan ook niet dat Lacan net uit dit deel enkele regels heeft gekozen om zijn tekst in te leiden. Letterlijk vertaald staat er het volgende: “En wanneer het ons lukt, en wanneer het zich schikt (wanneer het betaamt), zo zijn er gedachten”.
Een aantal zaken vallen op in dit citaat. In eerste instantie, en dat zou geen enkele psychoanalyticus mogen ontgaan zijn, het terugkerende woordje “es”, wat bij Freud een hele andere connotatie heeft dan in het dagelijkse taalgebruik. Het Es als bron van de driften, maar ook als datgene wat buiten de Symbolische bemeestering valt. Een tweede zaak die opvalt is de oppositie “wanneer het ons lukt” en “wanneer het zich schikt”. “Wanneer het ons lukt,” geeft iets weer van onze bewuste intentie, een begrip dat door de psychoanalyse en haar visie op het onbewuste volledig wordt gesubverteerd. Immers, daartegenover plaatsen wij: “wanneer het zich schikt”. Inderdaad, onze bewuste intentie wil één ding zeggen, maar soms schikt het het onbewuste om iets anders te zeggen. “A freudian slip is when you say one thing, but you mean your mother”. Zoiets dus.
Maar dit gaat natuurlijk veel verder dan de oppositie onbewuste en bewuste. Want de hele tekst zal ingaan op de autonome rol van de betekenaar. De brief als betekenaar bepaalt welke positie iemand inneemt in de bredere Symbolische constellatie. Het mag dan wel lukken om een brief te stelen, dit zegt nog niets over hoe het gevolg van deze daad zich zal schikken binnen de Symbolische verhouding waarvan men deel uit maakt. Als denkend wezen zijn wij een resultaat van deze oppositie, die onze positie ten aanzien van het Symbolische kenmerkt. Laat ons daar even het andere citaat tegenover plaatsen. Poe begint zijn tekst met:

Nil sapientiae odiosius acumine nimio. [Seneca]

Dit citaat van Seneca kon niet naar zijn oorsprong worden getraceerd. Men kan het ongeveer als volgt vertalen: “er is niets meer hatelijk voor de wijsheid dan het vernuft”. Hier zien we een andere tegenstelling: wijsheid versus vernuft. Sapientiae, sapient: wijs; komt van sapere: proeven, waarnemen. Acumine, acumen: een punt, een prik; komt van acuere: scherp maken. Hier gaat het met andere woorden om inzicht versus scherpzinnigheid. Poe speelt in op de verschillende tegenstellingen binnen de tekst: de wijsheid van Dupin  ten aanzien van de politie. De scherpzinnigheid van de minister ten aanzien van de politie. De scherpzinnigheid van Dupin ten aanzien van de minister.
In het licht van het door Lacan aangehaalde citaat krijgt dit citaat evenwel een bitterzoete nasmaak. Want als er slechts een denken is middels de oppositie tussen het “zich schikken” en het “lukken”, dan zal de wijsheid van Dupin verglijden naar een scherpzinnigheid eigen aan de minister – en dit middels de brief die de personages in een bepaalde verhouding brengt tot elkaar.

Geplaatst in Lacan, Poe | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

EXTIEM

Rondzendbrief van het Gezelschap
voor Psychoanalyse en Psychotherapie

Gisteren werd op de Algemene Vergadering van het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie het nieuwe tijdschrift voorgesteld: EXTIEM. Rondzendbrief van het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie. Het betreft een intern tijdschrift voor de leden van het GPP, dat “wel degelijk familie is van de sinds geruime tijd stopgezette Rondzendbrief uit het Freudiaanse veld, maar er onvermijdelijk van verschillend”.
De term extiem verwijst naar een neologisme van Lacan die daarbij de imaginaire binnen – buiten dualiteit tracht te overstijgen om te beschrijven hoe het Reële verschijnt binnen de psychoanalytische kliniek. Het is evenwel ook een punt van verdichting tussen “het individuele werk van de leden van het GPP en het buiten van het gezelschap als groep waarin zij dat werk trachten te verenigen.”
Het eerste nummer bevat een reeks bijdragen die onder 3 verschillende categorieën onderverdeeld kunnen worden: een neerslag van het Atelier, rapportages uit de kliniek en bijdragen op de INTERcartelDag. Wanneer het volgende nummer verschijnt? Dat zal in eerste instantie afhangen van het werk dat door de leden wordt verzet! Op die manier wordt het doodse streven naar de eindmeet vermeden en wordt het werk eerder gedreven daar iets wat we hebben achter gelaten.

Inhoud

Atelier
Dominique Hubain   Paranoia en melancholie

Kliniek
Tom Verhaeghe   Castratie zoals gedacht door Dolto
Jean-Pierre Van Eeckhout   Observatie in de Speelbrug
Nelle Van Damme   Een dubbel statuut van de wet

INTERcartelDAG
Jean-Pierre Van Eeckhout   Cartelwerking en de functie van een plus-un
Olaf Mylle   De vader voorbij… “Se passer du père”
Elke Roose   Le dire qui nomme
Jurgen Declercq   Van luisteren naar spreken
Bert De Meulder   Tuin der Lusten
Eli Noé   Kosmonauten van het nabije
David Schrans   Eppur si muove!
Frederik Van Driessche   “Il y a de l’Un”
Pat Jacops   Het cartel als oorlogsmachine tegen de didacticus
Wim Galle   Plus… ou moins?

En uiteraard zou niks van dit mogelijk geweest zijn zonder de editoriale ploeg die gezwoegd en gezweet heeft om dit tijdschrift samen te stellen: David Blomme, Tom Verhaeghe en Dries Roelands.

Geplaatst in Actueel | Tags: , | Een reactie plaatsen

L’être et l’objet

Het is zeer opmerkelijk dat jullie niet doorhebben dat elke vorm van wetenschappelijke vooruitgang bestaat in het doen verdwijnen van het object als dusdanig. In de fysica bijvoorbeeld, hoe dieper men gaat, des te minder vat men het object. Wat van waarneembare aard is interesseert de fysicus slechts op het niveau van de uitwisseling van energie, van atomen, van moleculen, die de waarneembare verschijning slechts realiseren op contingente en vergankelijke wijze.

Dat wil daarom niet zeggen dat het menselijk wezen/zijn voor ons verdwijnt.

Het wezen/het zijn en het object, als filosofen zouden jullie dat moeten weten, zijn helemaal niet hetzelfde. Het wezen/het zijn kan vanuit wetenschappelijk oogpunt niet gevat worden aangezien het niet van wetenschappelijke aard is. Maar de psychoanalyse is toch een ervaring die van dit wezen/dit zijn een vluchtpunt tekent. Ze benadrukt het gegeven dat de mens geen object is, maar een wezen/een zijn dat zich aan het realiseren is, dat de mens iets metafysisch is. Is dat dan ons object, ons wetenschappelijk object? Zeker niet, maar ons object is ook niet het individu dat blijkbaar dit wezen/dit zijn belichaamt.

Freud stelt dat er in de droom steeds een absoluut ongrijpbaar punt is, dat zich in het domein van het onbekende situeert – hij noemt dat de navel van de droom. Men benadrukt die dingen niet in zijn tekst, waarschijnlijk omdat men zich voorhoudt dat hij daar aan poëzie doet. Maar neen. Dat wil zeggen dat er een ongrijpbaar punt is in het fenomeen, het punt waar de verhouding van het subject tot het symbolische verschijnt. Wat ik het wezen/het zijn noem, is dat laatste woord dat voor ons zeker niet toegankelijk is vanuit wetenschappelijk standpunt, maar waarvan de richting wordt aangegeven in de fenomenen van onze ervaring.

J. Lacan. (1978 [1954-1955]). Le Séminaire livre II. Le moi dans la théorie de Freud et dans la technique da la psychanalyse. pp. 130. Paris: Seuil. Eigen vertaling.

Geplaatst in Lacan, Seminarie 2 | Een reactie plaatsen

BOEK: Cinq Concepts Proposés à la Psychanalyse van François Jullien

François Jullien studeerde sinologie aan de universiteit van Sjanghai en Beijing en bekleedt tegenwoordig de leerstoel voor altérité aan het Collège d’Études Mondiales de la Fondation Maison des Sciences de l’Homme. Zijn oeuvre, waarvoor hij meerdere prestigieuze prijzen heeft ontvangen, handelt over het Chinese gedachtegoed en werd vertaald in meer dan 25 talen. Een steeds terugkerend motief in zijn werk is de confrontatie van het Chinese denken met de grondslagen van de Westerse filosofie. Het essay “Cinq concepts proposés à la psychanalyse” is het derde deel in de reeks Chantiers, uitgegeven bij Grasset, waarvan de twee vorige “Les transformations silencieuses” en “Cette étrange idée du beau” zijn.

In dit essay confronteert Jullien het Chinese gedachtegoed met het werk van Freud aan de hand van vijf sleutelconcepten. Zijn vertrekpunt is dat de psychoanalyse haar blinde vlek te danken heeft aan haar grondslagen, die te situeren zijn binnen het Westerse denken. Dat een confrontatie met het Chinese gedachtegoed interessant en zelfs noodzakelijk is, motiveert Jullien door de toenemende export van de psychoanalyse – meer in het bijzonder naar China. De psychoanalyse zal zich moeten afvragen of datgene wat zij het “psychisch apparaat” noemt volgens universeel geldende mechanismen werkt, dan wel beperkt blijft tot de principes die een typisch occidentaal “psychisch apparaat” sturen.

Het is trouwens niet de eerste keer dat de psychoanalyse de confrontatie aangaat met het Oosterse denken. Jung was één van de eersten die zich waagde aan een confrontatie van beide systemen. Ook Lacan, die jarenlang het Chinees heeft gestudeerd, richtte zijn aandacht ten tijde van zijn latere onderwijs meer en meer op het Chinese denken en de Chinese poëzie (zie:  Le Séminaire XVIII: “D’un Discours qui ne serait pas du Semblant”). Vandaar zijn fameuze uitspraak: “Si je n’avais pas appris le chinois, je ne serais pas devenu Lacan…”. Maar Jullien kiest ervoor de confrontatie met de vijf sleutelconcepten te beperken tot het oeuvre van Freud. Het Lacaniaanse denken, waar hij minder vertrouwd mee is, laat hij links liggen want, zo besluit Jullien zijn inleiding: “Mon entreprise est déjà suffisamment périlleuse comme elle est.” Menigeen zal hier enige sympathie voor de moedige man uit kunnen putten. Laat ons dus even kijken naar die vijf concepten…

  1. Disponibilité
    Jullien brengt het concept van disponibilité in verband met de gelijkzwevende aandacht. Het betreft een onbevooroordeeld ontvankelijk zijn voor wat er van de buitenwereld op zich afkomt. Veel verder dan wat Freud ervan gemaakt heeft werd dit concept van de beschikbaarheid binnen het Westerse denken niet ontwikkeld, waar men meer een gerichtheid op de wereld als centraal uitgangspunt verondersteld. Wij willen hierbij opmerken dat de idee van beschikbaarheid wel verder werd uitgewerkt in het denken van Winnicott, waar de good-enough-mother ontvankelijk is voor de noden van de baby en in een toestand van beschikbaarheid verkeert opdat het explorerende kind haar zou kunnen vinden. Het voorstel van Jullien om de notie van de gelijkzwevende aandacht verder uit te werken blijft evenwel pertinent aangezien zij in tijden van protocollaire behandelingen vervangen dreigt te worden door een geformaliseerde gerichtheid op de wereld.
  2. Allusivité
    Met dit concept snijdt Jullien de andere zijde van de analytische dialoog aan, met name die van het vrije spreken waartoe de analysant wordt uitgenodigd. Dit “refereren zonder te refereren” of “spreken zonder intentie” sluit volgens Jullien nauw aan bij de vrije associatie. Hierbij willen we opmerken dat ook de analytische theorie als een vorm van allusiviteit kan opgevat worden. Wat wil Lacan zeggen in zijn seminaries? Wil hij überhaupt iets zeggen? In zijn 20e seminarie vergelijkt Lacan zijn positie als spreker met die van de analysant. Wanneer hij in zijn seminarie over de ethiek refereert aan de hoofse poëzie als een allusie op het tekort en die vergelijkt met het spreken in de analyse, kunnen we ons de vraag stellen of zijn eigen onderwijs niet dezelfde vorm aanneemt.
  3. Le biais, l’oblique, l’influence
    Deze reeks concepten betreft in eerste instantie de overdracht en ook daar zien we een nauwe link met het onderwijs van Lacan. Le biais en l’oblique beschrijven de indirecte wijze waarop het Chinese denken de zaak benadert. Jullien brengt dit in verband met de weerstandsanalyse, een techniek waar Lacan zich gedurende zijn eerste onderwijs hevig tegen zal verzetten. Het direct benaderen van de weerstand maakt die inderdaad des te sterker en er wordt dan ook gepleit voor een indirecte benadering. Hetzelfde principe, maar dan met betrekking tot de overdrachtsanalyse, wordt besproken aan de hand van het concept influence. Hoe wordt de overdracht gehanteerd om op indirecte wijze een weerstand te overwinnen zoals de Taoïstische meester zijn leerlingen op indirecte wijze beïnvloedt – want de overdracht is, zoals Freud reeds aanstipte, in eerste instantie een vorm van beïnvloeding die de analyse niet vreemd mag zijn.
  4. Dé-fixation
    Freud spreekt over fixaties van de drift waar het een symptoom betreft. Lacan zal spreken over een doorbreken van het Imaginaire om ruimte te scheppen voor het tekort enerzijds en een savoir-y-faire met het genot anderzijds. Net zoals in het Chinese denken beoogt de analyse immers een voortbewegen van het verlangen. Het onderkennen van het tekort stelt de analysant in staat om zijn verlangen, dat constant in beweging is en nooit zijn eindterm bereikt, te assumeren.
  5. Transformation Silencieuse
    Dit concept benadert de kuur in haar totaliteit, die te globaal en continu zou zijn om vast te kunnen stellen wat er precies wanneer veranderd is en vaak leidt tot een vaststelling après-coup van enige verandering. De transformation silencieuse is stof tot nadenken voor zij die zich bezighouden met effectiviteitsstudies van psychoanalytische therapieën: kan men inderdaad vaststellen wat er waar precies veranderd is? Zijn deze stilzwijgende transformaties wel meetbaar?

Dit korte essay is verbazend klinisch, wat m.i. te wijten is aan het feit dat binnen het Chinese denken het onderscheid tussen theorie en praktijk niet op dezelfde manier opereert als in het Westerse denken – een idee die op zich al de moeite is om te overpeinzen.  Geldt dit ook voor de psychoanalyse? In welke mate hangen daar theorie en praktijk samen? De vijf concepten die door Jullien worden voorgesteld en de manier waarop hij ze in dialectiek stelt met Freuds theorie geven ons alleszins een duwtje in de richting van een interessant parcours, waarvan het einde nog niet in zicht is. Wie meer van dat lekkers wilt, kunnen wij eveneens het boekje “Taoïsme” van Patricia De Martelaere aanraden!

Geplaatst in Actueel, Boeken | Tags: , | Een reactie plaatsen